Nog even en de lente gaat beginnen. Voor velen een fijne periode na de lange natte en soms koude wintermaanden. Eigenaren van paarden met staart- en maneneczeem hebben hier misschien een heel ander gevoel over. Want het is ook de periode met dekens op of af, smeren of niet, op stal of in de wei en wat voeren we onze allergie-gevoelige paarden?

Oorzaak en gevolg

Mogelijk dat de oorzaak voor het ontwikkelen van eczeem onder invloed staat van de microflora in de darmen. Onderzoek leert dat er een zeer duidelijke interactie is tussen deze darmflora en het immuunsysteem. Tot nu toe lijkt het erop dat in de meeste gevallen staart- en maneneczeem een blijvende aandoening is, die vooral ‘gemanaged’ moet worden. Het immuunsysteem van paarden met een “muggen”-allergie reageert als door een wesp (mug!) gestoken, zodra de stof waar ze allergisch voor zijn binnenkomt. Het gevolg is dat de huid geïrriteerd raakt en jeukt, waarop het paard gaat schuren. Hierdoor ontstaan wondjes, die bij genezing weer jeuk geven, en zo het paard in een vicieuze cirkel brengen.

‘Manage’ een paard met staart- en maneneczeem

  1. Mijd de mug. Helaas is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Maar de plek waar het paard woont en het wel of niet opstallen of in een deken inpakken heeft zeker effect.
  2. Schuurgedrag voorkomen is een lastige. Als je zelf jeuk hebt en je mag niet krabben dan is dat een hele moeilijke opgave. Het kan je zelfs tot wanhoop drijven. Niet laten schuren van paarden die wel jeuk hebben is ongewenst en niet diervriendelijk.
  3. Smeren met zalf kan de huid verkoelen en verzachten, wondjes laten genezen en de jeuk wat onderdrukken.
  4. De juiste voeding kan helpen de allergische reacties te onderdrukken en de wondjes sneller te laten genezen. Dit betekent niet alleen de voorziening van voldoende voedingsstoffen, zoals mineralen, vitaminen en essentiële vetzuren, maar ook het optimaliseren van de darmflora, en van de weerstand plus het vermijden van overgewicht (en ondergewicht).

Variatie in vezels geeft variatie in darmbacteriën en betere weerstand

Het is niet heel eenvoudig om dit alles in een rantsoen te combineren. Veel ruwvoer is een goede start, maar zeker niet voldoende. Met een grotere variatie aan verschillende vezelstructuren, dan die van enkel hooi, ontwikkeld er een meer diverse darmflora. Darmbacteriën hebben allemaal weer een andere functie, het produceren van energie voor het paard, maar ook van diverse vitaminen, en van stoffen die “slechte” bacteriën doden (soort antibiotica dus). Daarnaast hebben ze contact met de imuuncellen in de darmwand en zorgen veel “goede” bacteriën voor een positief effect op het immuunsysteem.

Denk bij verschillende vezelstructuren aan voedermiddelen of restanten daarvan met een hoog vezelaandeel. Deze variatie aan vezels zijn een voedingsbodem voor andere bacteriesoorten. De vezelsamenstelling verandert al als het gras groeit en ouder wordt. Weidegras dat bestaat uit diverse grassoorten heeft ook een grotere vezelvariatie. Verder bevatten luzerne, zemelen, bietenpulp, haverkaf, soja hullen, lijnzaadkaf (bolkaf), en nog vele anderen, allemaal weer net een andere vezelsamenstelling. Zelfs een klein aandeel krachtvoer in het rantsoen kan de darmflora gunstig beïnvloeden. Het voeren van paarden is in feite het “voeren” van de darmflora. Een gezonde darmflora levert ook een gezond paard op.

Alleen ruwvoer is te arm

Of alle voedingsstoffen aanwezig zijn die het paard en de huid nodig hebben, is bij alleen ruwvoer niet gegarandeerd. Het bevat praktisch altijd onvoldoende zink, koper en selenium, allemaal belangrijk voor de huid. En ouder hooi bevat ook onvoldoende vitamine E. Het eiwitgehalte in hooi kan laag zijn. Essentiële aminozuren, zoals methionine (onderdeel van huid en hoefhoorn) zijn dan niet voldoende aanwezig in het rantsoen. Tenslotte is het aandeel meervoudig onverzadigde vetzuren laag in ruwvoer. Met aanvullend krachtvoer zal wel het een en ander toegevoegd worden, maar helemaal zeker of het voldoende is, weet je pas na een goede rantsoenbeoordeling of -berekening. Het is in ieder geval vaak zo dat minder dan 2 kg krachtvoer per dag, of 1 kg voor een pony, onvoldoende noodzakelijke voedingsstoffen levert. Meer krachtvoer voeren geeft teveel energie en dat is ook niet de bedoeling.

Geen overgewicht

Het rantsoen moet qua energie in balans zijn met de behoefte van het paard zodat er geen overmatige vetreserves ontstaan. Overgewicht kan nadelig zijn voor de reactie van het lichaam op de ontsteking in de huid bij een allergische reactie. Overmatig vetweefsel produceert zelf ook ontstekingsstimulerende stoffen. De huid is dan eerder geïrriteerd en kapot.

“Boost” het immuunsysteem

Een extra toevoeging aan het rantsoen zijn betaglucanen van een hele specifieke structuur. Dit zijn beta-1,3/1,6-glucanen afkomstig van de gistcelwanden (Macrogard). Normaal gesproken kunnen betaglucanen niet in de dunne darm verteerd worden en de darmwand passeren. Toch is aangetoond dat enkele betaglucanen een connectie maken met macrofagen. Macrofagen zijn immuuncellen in de darmwand. Door deze koppeling gaan de macrofagen stoffen uitscheiden die ofwel een ontsteking remmen of een allergie afremmen. Deze beta-1,3/1,6-glucanen zijn een extra ‘tool’ om paarden met staart- en maneneczeem van binnenuit te ondersteunen.

 

Dit is de oplossing

Een rantsoen bestaande uit gemiddeld tot grofstengelig hooi plus Bonpard Colon en Bonpard Resistance voldoet aan alle onderstaande voereisen. Ervaring en praktijkonderzoek leert dat op dit rantsoen paarden met staart- en maneneczeem minder jeuk en minder wondjes hebben.

Het rantsoen voor een paard met eczeem moet aan de volgende eisen voldoen:

  1. veel vezels/ruwvoer
  2. variatie aan vezelstructuren door toevoeging van verschillende vezelrijke voedermiddelen
  3. energiebalans tussen voeropname en de behoefte van het paard
  4. voldoende eiwit en goede kwaliteit eiwit (juiste aminozuren), eventueel door eiwitrijke toevoeging aan het rantsoen
  5. alle noodzakelijke mineralen en vitaminen, met name koper, zink, selenium en vitamine E
  6. essentiële vetzuren, zoals omega-3 en omega-6
  7. beta-1,3/1,6-glucanen